Dichterbij | De banaliteit van het kwaad
Columns

Dichterbij | De banaliteit van het kwaad

27 januari 1945 bevrijdden de Russen Auschwitz en op die dag wordt wereldwijd de Holocaust herdacht. In de kerstvakantie las ik een biografie over de Duitse Jodin Hannah Ahrendt. In ’33 vluchtte ze naar Parijs en in ’40 moest ze weer vluchten voor de nazi’s, naar New York. In de VS filosofeert ze over de vragen die de Holocaust oproepen. Hoe kunnen we na de Holocaust nog van het leven, van de wereld houden? Waarom doen we elkaar onrecht aan? Waarom grijpen we zo weinig in wanneer we getuige zijn van het kwaad? Hoe konden zoveel mensen, vrijwel een heel volk, kritiekloos een politiek accepteren, zelfs verwelkomen, die het op een specifieke groep gemunt had? En een wetgeving accepteren die mensen uitsloot die tot voor kort buren, vrienden, klasgenoten en collega’s waren geweest? Hannah worstelt met deze vragen en schrijft erover in tal van boeken.

Ze wordt in 1961 gevraagd verslag te doen van het proces tegen Adolf Eichmann, een van de architecten van de Holocaust. Haar boek, Eichmann in Jeruzalem: de banaliteit van het kwaad, slaat in als een bom. Voor het proces is Eichmann door tal van psychologen en psychiaters onderzocht, maar niemand kan iets afwijkends vinden. Hannah beschrijft hem als een saaie bureaucraat die zijn werk gedaan heeft. Het kwaad en ook Eichmann zelf is gewoner dan we zouden willen. Het kwaad zit hem erin dat velen kiezen voor de weg van de minste weerstand. Ze kijken weg, luisteren niet naar hun geweten. Toen buitensluiting en vervolging de norm werden waren er veel te weinig mensen die protesteerden, die verantwoordelijkheid namen. En dat gebeurde omdat al jarenlang de slachtoffers gekleineerd en vernederd werden. Hun menselijkheid werd ontkend. Het proces dat ertoe leidt dat individuen en groepen als tweederangsburgers met minder rechten worden beschouwd vindt niet plotsklaps plaats maar kent een lange adem. Maar als eenmaal de eerste stappen zijn gezet kan het heel snel gaan. Dat is Hannah’s analyse en waarschuwing, ook voor ons hier en nu.

Vorig jaar sprak Rutte ter gelegenheid van de Auschwitzbevrijding een schuldbekentenis uit voor de houding van het Nederlandse volk en die van de overheid in het bijzonder. Niet dat alle bestuurders, ambtenaren en ook burgers ‘fout’ waren, zeer zeker niet, maar we hebben als collectief gefaald in het opkomen voor onze Joodse medeburgers. Weinigen verzetten zich openlijk tegen de anti-Joodse maatregelen zoals het ontslaan van Joodse ambtenaren en volksvertegenwoordigers. Talloze gemeenteambtenaren werkten mee aan de registratie van Joden, het buitensluiten en het handhaven van verboden, evenals talloze politieagenten en medewerkers van de openbaarvervoersbedrijven meewerkten aan het afvoeren van onze Joden via Westerbork naar Auschwitz en Sobibor. En hoe weinig hulp kregen Joodse overlevenden bij het terugkrijgen van hun bezittingen en hun aan de zorg van anderen toevertrouwde kinderen? Beschamend. Goed dat Rutte deze inktzwarte bladzijde in onze geschiedenis benoemde en dat de Koning dat herhaalde op 4 mei en daarbij ook het zwijgen van zijn overgrootmoeder Koningin Wilhelmina benoemde.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden