Wat bunt dat veur präötjes?
Columns

Wat bunt dat veur präötjes?

Wat bunt dat veur präötjes?

Enige tijd geleden vroeg Diana Abbink van Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers mij of ik uit een kinderboek wilde voorlezen voor een promotiefilmpje. Het boek, Van Fransje Piepelaar die in een hond ging wonen, bevat dialogen in onze streektaal, het Nedersaksisch, beter bekend als ‘plat’ en vroeger ook wel als ‘boers’. Het is bedoeld om (groot)ouders te helpen de liefde voor de streektaal over te brengen op de ‘blagen’. Ik twijfelde. Normaal werk ik graag mee aan dit soort verzoeken, maar ik ben niet opgegroeid in de Achterhoek. Mijn eerste woorden in het plat waren die van ‘Oerend Hard’. Overal waar mensen van het standaardtaalgebruik afwijken in accenten en woorden is men gevoelig voor nadoen, al snel krijgt men het gevoel belachelijk gemaakt te worden. Dat is wel het laatste wat je als burgemeester te horen wilt krijgen.
‘Plat praoten’ stond (?) immers gelijk aan van het platteland komend, laagopgeleid zijn, iets dat je moest afleren. Mijn eigen opa groeide op in een Aaltens arbeidersgezin en ging na de lagere school naar de kammenfabriek van Ten Dam & Manschot. Hij moet ‘plat’ gesproken hebben. Slechts op aandringen van bovenmeester en dominee mocht hij in 1908 een onderwijzersopleiding volgen, bijzonder. Hij haalde zijn diploma en verliet Aalten. Ik heb hem niet gekend, maar heb zijn nog levende kinderen gevraagd: “Hebben jullie ooit opa op een accent of streektaalgebruik kunnen betrappen?” Dat hadden ze niet, hij had het afgeleerd. Als onderwijzer moest hij het goede voorbeeld geven en dat was het Algemeen Beschaafd Nederlands. Mijn oudste nicht wist zich slechts ‘foei toch bubke’ te herinneren, maar of dat Achterhoeks is?
Langzaam stijgen streektalen in aanzien, mensen zijn de schaamte voorbij en worden er zelfs trots op. Streektaal spreken begint tot de regionale identiteit te behoren. Net als de eigen vlag en lokale gebruiken en gewoonten. Ondanks die verandering is het de vraag of streektalen als het Nedersaksisch, zoals ook in Twente en Drenthe, nog lang blijven bestaan. Steeds minder mensen spreken het buiten de privésfeer en geschreven en gelezen wordt er nauwelijks in het Nedersaksisch. ‘A'j plat könt praoten, mö'j 't neet laoten', maar ook: A'j plat könt praoten, mo'j ’t toch ok können schrieven’. Als de streektaal wil overleven dan moeten we daar wat aan doen. Vandaar dat we de Erfgoednota van de drie Oost-Achterhoekse gemeenten niet slechts een titel in het ‘plat’ gaven maar die volledig lieten vertalen. ‘Wi-j doet ’t samen’ is de eerste beleidsnota ooit in het Achterhoeks! Als die streektaal ons wat waard is zullen we er aandacht aan moeten geven en het ook overdragen op de volgende generatie. En op nieuwkomers. En dus werkte ik mee aan het promotiefilmpje en heb ik het boekje voorgelezen aan mijn Rotterdamse kleindochter van drie. Ze vindt het prachtig. ‘Aalten veur altied’ en ‘goodgaon en weerkommen’ kon ze al zeggen, maar ze begrijpt me nu ook als ik tegen haar zeg: "”.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden