Afbeelding

Column Buitenstaander: Noffel’n

Opinie

Verzorgster Daisy keek naar de oude man die, ongelukkig kijkend, voor zich uit zat te brabbelen. Hij schudde aan één stuk door zachtjes zijn hoofd, het leek op Parkinson, maar het zou ook één langgerekt ‘nee’ kunnen zijn, alsof hij naar God of het universum seinde, morste; ‘Ik wil dit niet. Haal me hier weg!’ Hij is hier nu sinds een week of zes, dacht ze. Er is geen land mee te bezeilen. Ze moesten maar eens met zijn dochter gaan praten. De oude man zit altijd alleen bij het raam. Hij praat met niemand, is overduidelijk van streek, chagrijnig. Het zou gemopper op het weer kunnen zijn, het regende ook al dagen, gevoelsmatig weken, maar daar mopper je toch niet weken achtereen over? Daisy en haar collega’s konden niet tot de man doordringen, hij beantwoordde elke poging in een onverstaanbaar taaltje, meestal op geagiteerde toon, daarbij bozig wegkijkend. Maar hij is meer dan slechts een boze bejaarde. De oude man had ogen die leken te doven, weg te zinken, als een vuurrode zon die ondergaat in de zee, in die enorme bak met lodderwater. ‘Kijk ‘m zitten, met z’n eten,’ hoorde Daisy zichzelf denken. Voorover gebogen, langzaam etend, met zijn neus bijna in een grote kom erwtensoep, alsof hij er de toekomst in kon lezen. Wat een snerttoekomst ook, dacht ze. Een zwak tegenlicht viel door het grote venster naar binnen, buiten: het uitzicht op kale nieuwbouwhuizen. Twee tuinmannen waren aan het werk. Ze waren bezig een aantal jonge boompjes te planten. Pietje precissimo, strak naast elkaar, met een metertje er tussen, stonden de jongelingen daar, te dun nog om er een naam of hartje in te kerven. En nu maar groeien geblazen! Er was ook een fontein, in een vijver, waarin terracottakleurige kruiken lagen, waar waterstraaltjes uit kwamen. Die kruiken leken nogal op urnen, vond Daisy, het was alsof de uitvaartverzekeringsmaatschappij de belevingstuin had gesponsord en ook voor de binnenhuis-architectonische constellatie getekend had. Alles ademde hier een zweem van eenzaamheid en hiernamaals uit. Het zou wel aan haar liggen. Het woord carrièreswitch drong zich al een tijdje aan haar op. Straks zetten ze hem weer met zijn pantoffels voor de tv, dubbele ramen heeft hij, er komt geen kou binnen, maar ook geen gezellig geluidje. Daisy liep op de man toe. ‘Is de soep lekker?’ Hij keek op, slikte een beetje soep door en startte weer een mompelmonoloog, die klonk alsof hij een dot watten in de zijn mond had. Om een kort verhaal ietsje korter te maken, de oorzaak van dit verhaaltje behelst een combinatie van twee klassieke Achterhoekse gezegdes, namelijk: ‘n Olden boom mo-j niet verplanten, en, ‘A-j plat könt praoten, moj-t nie laoten. Wat was er gebeurd? De dochter van de man was met haar gezin naar Lelystad verhuist. Het had haar een goed idee geleken, om haar vader mee te nemen, dan kon ze hem vaker zien dan wanneer hij in de Achterhoek zou blijven. Dus stopte ze hem in een verzorgingstehuis in het zielloze polderexperiment Lelystad. Maar ja, Achterhoekse plaatsen, dorpjes, ze hebben dat unieke, dat ga je missen, dus de oude man miste dat ook, hij had vreselijke heimwee, en ook het taaltje, vooral het Dinxpers plat, waar vaak wat medeklinkers dreigen weg te vallen. Dat spreekt en begrijpt niet iedereen. ‘Wi-j noffelt’.

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant