Afbeelding

Column De Buitenstaander: Het mooiste jongetje ooit

Opinie

Ik werd vanochtend vroeg wakker van het woord ‘mannenschoon’. Het schalde onaangekondigd door mijn nog half in dromenland verkerende hoofd en liet zich als een klaarwakkere peuter niet negeren. Definieer mij, verklaar mij.
Waarom juist dát woord?

Ik zigzagde door mijn gedachtenpaleis en begreep al snel waar het vandaan kwam. De avond ervoor had ik gelezen dat het ooit tot ‘mooiste jongetje van de wereld’ uitgeroepen jongetje die dag op 70-jarige leeftijd was overleden.

Als verzamelaar van oude films wist ik meteen wie bedoeld werd: Björn Andrésen, die als 15-jarige een controversiële rol speelde in ‘Death in Venice’ van Luchino Visconti.

In de film — gebaseerd op de roman van Thomas Mann — raakt een oudere componist tijdens een verblijf in Venetië geobsedeerd door de jongen Tadzio. Hij volgt hem door stegen en over het strand, zonder dat er ooit werkelijk contact is. Uiteindelijk sterft de componist, alleen met zijn verlangen.

Achteraf bleek Andrésen allerminst gelukkig met het etiket dat hij bij de première kreeg opgeplakt. Visconti noemde hem toen publiekelijk ‘het mooiste jongetje ter wereld’ — een eretitel die zijn leven lang zou blijven kleven. Met zijn halflange gouden haar en androgyne, engelachtige gezicht werd hij een idool, vooral in Japan, waar hij met zijn grote Bambi-ogen model stond voor talloze animatiefiguren.

Zijn schoonheid bracht hem roem, maar zat hem ook in de weg. Wat als je vooral mooi bent — en de wereld niet veel meer van je verwacht? Dat vooroordeel kennen blonde vrouwen maar al te goed. Tegelijkertijd werkt het ook andersom: knappe mensen krijgen vaak automatisch allerlei deugden toegedicht. Ze worden aardiger gevonden, slimmer, betrouwbaarder. Ze zijn aaibaarder. Bijna niet te parodiëren.

Toch schuilt er achter een glad imago of een duur pak geregeld minder inhoud dan in iemand met een verkreukeld jasje op een fiets met een slag in het wiel. Ik zie soms mensen lopen die je een euro of twee zou geven. Morsige types, alsof ze in hun kleren hebben geslapen — en misschien is dat ook zo. Óf, misschien is zijn vrouw net overleden. Óf, misschien is hij gevoelig, maar totaal onbekwaam met een wasmachine. Je weet het niet. Het is slechts een eerste indruk.

Neem Jan Timman, een van Nederlands grootste schakers ooit. In de tijd van Anatoly Karpov en Garry Kasparov stond hij bekend als ‘the best of the West’. Hij fietst hier regelmatig door Arnhem, gehuld in een verkreukeld pak, op zo’n afgetrapte fiets met een achterwiel waar je zeeziek van wordt als je er te lang naar kijkt. Volledig in zichzelf gekeerd.
Het lijkt alsof niemand hem nog herkent.

Laatst kwam ik hem, fietsend in de Steenstraat, weer tegen. Hij schrok zichtbaar, viel bijna van z’n fietswrak, toen ik hem groette en aansprak:
‘Dag meneer Timman, hoe maakt u het?’
Hij keek me aan met grote, onderzoekende, Bambi-ogen.
Die avond googelde ik jonge Jan Timman. En verrek — zie je wel: hij had inderdaad iets weg van…
het mooiste jongetje ooit.

R.I.P Jan Timman

Tekst: Rocco Ostermann

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant