Afbeelding

Column De Buitenstaander: Wouter van de Waaghals

Opinie

Gisteren was ik bij de Waaghals, een Arnhemse platenzaak. Ik zoek daar zelden iets; ik vind er meestal wat. Ik leef daar in het moment en ineens had ik zin in een modern koorwerk en dacht aan het bijna duivelse requiem van György Ligeti en ook aan Arvo Pärt. Van die laatste vond ik diens Adams Lament, Adams klaagzang.

Ik wist niet dat die ouwe Adam kon zingen, maar Godsgeklaag was hem wel toevertrouwd; zoveel wist ik zeker. Jeetje, wat kon die gast klagen.

Zonder dat ik het libretto verder kende, dacht ik meteen aan Adams eerste vrouw (nee, dus niet Eva): Lilith. Die was ook nogal een waaghals, of - wellicht het meest accuraat geformuleerd - vrijgevochten. Maar dát is vanzelfsprekend de moderne perceptie. Vroeger was ze natuurlijk het onversneden kwaad dat mannen in het ongeluk stortte. Ze was ongehoorzaam (lees: aan Adam- vandaar dat hij ook zo klaagde, hè) en waar ze uiteindelijk gebleven is, daarover tast ik in het duister. Waarschijnlijk heeft ze een ‘functie elders’ gekregen, maar in ieder geval niet meer als protagonist in de Bijbel.

Achter de toonbank bij de Waaghals staat Wouter en wij lijken best op elkaar. We dragen namelijk allebei géén zonnebril, ondanks het feit dat we soms de wereld inkijken als een molletje dat in het zonlicht wordt gehouden. Gesprekjes met hem zijn altijd leuk, gaan vaak over muziek en meestal maak ik wel een paar geintjes. Voor de rest lijken we voor geen millimeter op elkaar.

Een tijdje geleden zei ik tegen Wouter dat ik in Museum Bronbeek was geweest, dat militaire bejaardentehuis tussen Velp en Arnhem, en dat ik daar gesproken had met een 100-jarige oud-marinier die in een Jappenkamp in Nagasaki had gezeten en daar de atoombom, genaamd Fat Boy, had zien detoneren. Ik was daar daadwerkelijk geweest, in Bronbeek, met Wout Kemkens, namens De Niemanders, om dát verhaal op te tekenen en er een lied over te maken. Ik zei tegen Wouter: ‘Het is best apart om met zo iemand te praten en naast hem te zitten.’ Wouter keek me met grote ogen aan en zei: “Dat wil ik wel geloven, ja.” ‘Dat Bronbeek trouwens,’ ging ik verder, ‘herbergt ook een écht groot museum. Ze hebben werkelijk van alles uit de tijd van Nederlands-Indië: kanonnen, geweren, brieven, sabels, uniformen - noem het maar op. En achter het tehuis hebben ze zelfs een origineel en nog volledig intact massagraf!’
Wouter keek me verbijsterd aan; ongeloof sloop als een hongerige cheeta over zijn gezicht. (Zo’n scène vind ik kostelijk, hè. Het is altijd even afwachten hoe lang je zo’n moment kunt rekken)
Nét voordat het kwartje - dat via allerlei sleufjes uitgebreid de tijd nam - op de plaats van bestemming zou vallen, gumde mijn pretknipoogje de dikke vraagtekens op zijn voorhoofd uit en begonnen we tegelijk te lachen. Ja, we lijken enorm op elkaar. We lachen vaak op hetzelfde moment, om hetzelfde ook. Ik zou bij Toutatis niet weten wat nog meer van belang is.

’s Avonds thuis bestelde ik een pizza met champignons. (Ik leg het maar even uit: dat kwam omdat ik nog steeds die atoombom voor me zag…)

Op de achtergrond hoorde ik het geklaag van Adam…

Tekst: Rocco Ostermann

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant