De petomaan
Op een perfect moment (totaal onverwacht) een scheet laten kan voor enige hilariteit zorgen. Een van de redenen is dat we vaak lachen om dingen die afwijken van wat we verwachten. Ik zeg maar iets: een hond die begint te praten, een man die zijn met bacteriën bevolkte tong uitsteekt en begint te blaffen, een vrouw met een krulsnor.
Schetenhumor hoort daar ontegenzeggelijk bij: een schetengrap is uniek, universeel, en absoluut tijdloos. Ergens in ons archaïsche brein, op grote diepte, moet hij vast verankerd zitten.
Wetenschappers en een enkele filosofieprofessor hebben alle hoekjes en spelonkjes van het humoristische rectumspectrum onderzocht, maar het mysterieuze ruftraadsel kan mijns inziens pas echt worden opgehelderd als neurowetenschappers het aan zouden durven om mensen die scheten laten, alsook horen, onder de hersenscanner te schuiven. Het is een grote helaasheid, dat dit nog steeds niet is gebeurd. Maar wat de uitkomst ook moge zijn, dit weten we alvast wel: een wind zal altijd grappig blijven.
Er zijn erbij die dat ook alderbastend goed kunnen, en tot in de perfectie beheersen: dan hebben we het over de koningen der winden: types die men 'De nachtegaal van het darmkanaal' zou kunnen noemen. Dan spreken we over een uitzonderlijke gave, en hebben we het niet over ene, pak ‘m beet, Hendrik Jan, de linksback van het 5de voetbalelftal, die verder helemaal geen rectale aspiraties heeft, maar ’s morgens gewoon achteloos een paar katerige bierscheten detoneert en daarmee de gehele kleedkamer in rouw dompelt. (Er zijn namelijk ook mensen die exceptioneel goed kunnen ruiken.)
Nee, deze rotte-bouten-buikwindspreker heeft vooral een grote drang naar persoonlijke vrijheid en gaat daarbij nietsontziend te werk. Bah, Hendrik-Jan!
Ik heb het veeleer over mensen die in staat zijn een ongelooflijke hoeveelheid wind te genereren, die staande op een Noordzeestrand zelfs tegen de branding zouden kunnen roepen: 'Ga sissende schuimvlokjes, waar de wind je hene blaast' en dan een flatus-maximus produceren, waardoor zelfs de meeuwen achterstevoren vliegend de zee op worden getoeterd.
En dan heb je bovendien nog de échte flatulentie-fenomenen, waarbij omschrijvingen passen die de laatste jaren enorm in populariteit zijn toegenomen: 2.0 of next level. Dan hebben we het over mensen met een muzikale anus. Er zijn er, die van een notenbalk als het ware een hangmat kunnen knopen, en daar dan ontspannen in liggend, dartele deuntjes ruften, daar waar andere vermaarde vertolkers het uit hun hoofd kunnen: hoofden die gevuld zijn met duizend en één melodieën.
Op een camping in Friesland, in de zomervakantie, leerde ik als kind een lange magere man kennen. Met diens zoontje speelde ik, en die zei op een keer tegen me: ‘Mijn vader he, die kan het Wilhelmus scheten!’ Alle vraagtekens die over mijn gezicht kropen, konden niet de verbazing beschrijven die zich van me meester maakte. Toen ik uiteindelijk getuige was van deze verbijsterend meesterlijke uitvoering van ons volkslied, moest ik zo knoepens hard lachen, dat er geen geluid meer uit me kwam en mijn voortandjes stonden bovenop mijn hoofd, zo wijd open stond mijn mondje.
De man bleek (kwam ik jaren later achter) een zogenaamde petomaan, iemand die de kringspier van zijn poepertje kon manipuleren, zodanig dat de gassen met geluidsvariaties het lichaam werden uitgeperst.
‘t Zijn sterren! Madames et messieurs, bruine sterren …