Afbeelding

Column De Buitenstaander: Moe

Opinie

Elk jaar opnieuw, wanneer de lente zich eindelijk een weg naar voren wurmt na weer zo’n eindeloos lange, natkoude herfstachtige winter, overvalt me dezelfde, licht verbijsterde gedachte: hoe heb ik het in vredesnaam zo lang volgehouden... Niet alleen zonder dat weldadige zonnetje, maar vooral door op de één of andere manier dóór te blijven gaan. Alsof mijn lijf maandenlang op een soort spaarstand heeft gestaan en nu pas weer langzaam wordt opgestart.
Ik slofte de lange tuin in, met de hoop dat een kleine lente-renaissance me zou verwelkomen. Mijn lijf rilde als een Chinese naakthond, en daaraan zou normaliter ook een, vitaliserend zonnetje niets hebben kunnen veranderen. Ik was namelijk intens vermoeid en dan zijn de voelsprietjes op mijn velletje als ijzige stalagmietjes én -tietjes. Ik ging op het hemelsblauw geschilderde bankje zitten en zag tegenover me ineens een tak van een grote vlier zwiepen. Recht tegenover me zat een dikke, zwarte mannetjesmerel met het mooiste oranje dat je in Nederland kan vinden, als kleur op zijn snavel. Bij hem hielp zijn dikke verenjas. Bij mij zat de kou vanbinnen.
Dit zou een moment hebben kunnen wezen, waarop de vogel pardoes tegen me zou gaan praten. Als je écht kapot moe bent, gebeuren er immers de gekste dingen. Plots hoorde ik in de verte een mannenkoor, dat vreemde gregoriaans-achtige muziek zong. Er zaten nogal wat rare intervallen in, en het jengelde ook behoorlijk. Een goed minuutje later, na dit in mijn schelpje te hebben ontvangen, drong het tot mij door dat het waarschijnlijk toch een motorzaag was, waarvan het geluid door de wind transformagisch vervormd en meegevoerd was. Mijn blik ging naar de vlinderstruik naast het bankje. Hij was vanzelfsprekend verlaten. Tóch zag ik die mooie diertjes vrolijk fladderen, in mijn thuisbioscoopje onder het schedeldak. Een wonderlijke symbiose tussen wat er ís, wat er was, weer gaat komen én weer zal gaan. Ik gaapte, en mijn kaak kraakte alsof er een flinke tak werd afgebroken. Dat heb ik altijd. ‘Kom je niet naar binnen?’ ‘Huh, wat?’ ‘Het hagelt, joh!’ Ja, inderdaad, dat deed het. Ik had het gewoonweg niet in de gaten. Het leek wel alsof ik, nét als vroeger weleens gebeurde, voor de televisie zat op een diep nachtelijk uur, en naar ‘Russische sneeuw ‘ zat te kijken. Toentertijd had je nog geen nachtprogramma’s, en hing ik zo nu en dan, in kennelijke staat, apathisch voor het kassie met spikkelbeeld.
Weer binnen, aan de keukentafel, met zo’n ‘naar-de-zee-tuur-blik’, dacht ik plots, geïnspireerd door een National Geographic die voor me lag, aan de laatste noodsignalen van de Titanic. Mijn ogen, vol brandend zand, knipperden in morse vaag wat terug naar het titanische schip. Iets in de trant van: ‘Óók zeker kutweer, daar!?’
Toen zonk vanachter mijn ogen de Titanic naar zijn graf en mijn wimpertjes sloten zich als gordijnen voor mijn ogen, die nog nét één lang zzzzzzzzzz morsten.
Nu hoorde iemand anders een zaag.....

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant