Afbeelding

Column De Buitenstaander: ‘Arturo della Morte’

Opinie

Een kameraad van mij had in zijn jeugd een voetbaltrainer die zó bijgelovig was, dat hij nog liever met elf man in het gips speelde dan met één speler die volgens hem ongeluk bracht. Tegenwoordig zie je legio voetballers die na een doelpunt meteen naar boven wijzen alsof de Here (of Allah) persoonlijk de assist heeft gegeven, maar vroeger werkte dat anders. 

In die dagen waren voetballers en trainers vooral ontzettend bijgelovig en bang. Van te voren al. Bang voor zwarte katten waren ze, voor kapotte kleedkamerlampen, bang op vrijdag de dertiende en bang voor spitsen die hun linker sok eerst aantrokken. De trainer van mijn kameraad was in die zin zelfs van de absolute buitencategorie. Als er voor de wedstrijd een kraai op de dug-out zat, zorgde hij ervoor dat de aftrap een kwartier werd uitgesteld. Als iemand ‘Ooooh, vandaag winnen we makkelijk,‘ zei, stuurde hij die van zelfvertrouwen blakende jongen preventief naar de reservebank wegens ‘het uitdagen van hogere machten’.

Maar de grootste uitdaging van de trainer heette Arthur.

Arthur was de jongste spruit van de plaatselijke begrafenisondernemer. Een klein, lief, iel jöngske dat eruitzag alsof een windvlaag hem al buitenspel kon blazen. Dat manneke kon nog geen opgeblazen strandbal fatsoenlijk op de pantoffel nemen. Als hij de knikker al raakte, dan nog leek het alsof hij eerst toestemming vroeg aan de bal. Meer geschikt voor een blokfluitensemble of een jeugdkoor dan voor een pot voetbal. Blaasvoetbal had misschien nog gekund. 

Niemand snapte waarom Arthur telkens óf een hele wedstrijd mocht spelen - dat hield ie helemaal niet vol - en dan weer de hele match de reservebank kon drukken. Jaren later heeft die trainer, ik zal zijn naam hier niet noemen, flink lazarus in de feesttent tijdens Koningsdag, opgebiecht hoe het werkelijk zat. Arthur werd namelijk alleen opgesteld wanneer zijn vader hem met de lijkwagen naar het voetbalveld bracht. Als de kleine knirps echter doodgewoon op zijn fietsje kwam aanrijden, met een boterhamzakje aan het stuur, dan bleef hij de hele wedstrijd op de bank. Dan kwam hij geen minuut binnen de lijnen. Arthur scheen het helemaal niet erg te vinden. Hoogstwaarschijnlijk moest hij van zijn ouders iets van een sport beoefenen. 

Dus uit puur bijgeloof mocht hij van de trainer soms meedoen. Alleen wanneer die blinkend gepoetste, met chroom dat schitterde in de ochtendzon, grote zwarte lijkwagen op zaterdagochtend langzaam de parkeerplaats van de voetbalclub kwam opgereden alsof er een minister begraven moest worden, met van die zwarte vlaggetjes voorop die zacht stonden te klapperen in de wind alsof de dood persoonlijk onderweg was naar de aftrap — ja dán mocht ‘Arturo della Morte’ de speelweide inrennen. 

En ge moet weten: tegenstanders kregen spontaan de bibbers als die zwarte bak op zichtafstand pontificaal naast het veld stond geparkeerd. Maar bovenal veranderde de trainer compleet. Die liep ineens constant met twee vingers tegen zijn voorhoofd kruistekens te maken alsof hij hoogstpersoonlijk het Vaticaan vertegenwoordigde. 

En ‘t mooiste, allersterkste aan dit rare verhaal was, dat die vader van Arthur Hein heette. En dan mogen jullie raden of die Hein meer op Laurel of op Hardy leek qua postuur.

Tekst: Rocco Ostermann

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant