Afbeelding

Laat ik het zó zeggen

Opinie

Op een zonnige ochtend keek ik vermoeid in de spiegel van de kapper en dacht: alleen de lach kan me nog redden. Nou ja, redden… mijn gezicht een beetje betoveren. Het licht bij de kapper is namelijk net als in pashokjes: meedogenloos. Bijna microscopisch wordt elk detail uitvergroot tot een existentieel probleem. Een nietige rimpel, een groot effect.

Ik ken de kapsters inmiddels allemaal, maar deze keer was er een new kid in town: een stagiaire. Ze had lieve flapoortjes. Charmant. Ik overwoog een compliment, maar omdat ik haar niet kende besloot ik het niet te doen. 

Tijdens het knipgesprek zei ze opvallend vaak: ‘Laat ik het zó zeggen.’ Een zinnetje dat tegelijk ruimte biedt en alles dichttimmert. Ze ging Koningsdag vieren in Arnhem.
‘Ik ook,’ zei ik, ‘maar dan als muzikant.’
‘Oh wat leuk,’ zei ze, ‘maar het moet wel veilig zijn, vind ik.’
‘Voor wie?’
‘Voor de muzikanten. Laat ik het zó zeggen: met bier gooien bijvoorbeeld… dat kan toch niet?’

Ze doelde op dat filmpje van Gerard Joling die een bekertje bier naar zijn hoofd kreeg.
“Zoals bij Gerard Joling?”
“Ja”

We bleken allebei iets met muziek te hebben, al zat daar een generatiekloof van een kleine halve eeuw tussen. Ze hield van Hazes. De oude Hazes. Dat stelde me gerust.
“Ik kom uit de Achterhoek,” zei ik, “daar hebben ze bier gooien uitgevonden.”
Ze keek me aan met grote ogen. Eén flapoor leek nog iets groter geworden.
“Ken je Doe Maar?” vroeg ik.
Ze kende de band niet. Ik zong stukjes van Is dit alles en Sinds een dag of twee. Ik had tweehonderd dagen voor haar kunnen zingen, maar er zou geen lampje gaan branden.
‘Ik ben zestien,’ zei ze grijnzend.
Jeetje. Daar zat ik dan, zingend in een kappersstoel, plotseling stokoud.

Kapper worden was haar droom.
‘Zestien en nu al je droomberoep,’ zei ik. ‘je hebt het voor elkaar.’
Ze grijnsde wederom.
‘Ik wilde muzikant worden,’ zei ik, ‘maar dacht altijd: dat leer ik nooit.’

Haar vriend was ook muzikant. Trompet, bij de fanfare van Driel en Heteren: ‘Als je hem ziet, euh, laat ik het zó zeggen, dan denk je, dat is een beetje een boer. Maar hij is heel lief hoor.’
‘Wordt hij ook met bier bekogeld?’
‘Dat weet ik niet,’ zei ze. ‘Ze spelen om acht uur in de kerk.’
‘’s Ochtends?’
‘Ja.’
‘Daar ben jij zeker niet bij dan?’
‘Laat ik het zó zeggen: dan slaap ik nog.’

Om me heen werd de oogst van het knippen geruisloos bij elkaar geveegd. Ik heb wel eens gehoord dat de maffia dat haar ophaalt voor DNA, maar dat zal wel een broodje aap zijn. Tegelijkertijd kwam er een andere kapster binnen met broodjes hamburgers. Dat doen ze daar al jaren. De fastfoodzaak zit om de hoek, en de kapsters zijn er niet vies van. Ik neem soms oliebollen voor ze mee. 

Ik ga daar altijd met een grijns naar buiten. Niet perse vanwege mijn haar — dat is bijzaak — maar vanwege de lollige gesprekjes. Misschien is dat wel de echte behandeling: een half uurtje in de stoel, een beetje geknipt worden, een beetje bijgepraat worden, en uiteindelijk toch die lach.

Laat ik het zó zeggen: daar kom ik eigenlijk voor.

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant