Reactie op ‘Pijnlijk maar noodzakelijk besluit’

Reactie op: “Pijnlijk maar noodzakelijk besluit” in de rubriek “LEZERS SCHRIJVEN”, De Band van di. 31 augustus jl.

In deze ingezonden brief over de voorgenomen sluiting van de dependance van scholengemeenschap Schaersvoorde in Dinxperlo, nodigen de twee schrijvers, beiden leidinggevenden van Schaersvoorde/Achterhoek VO, uit tot het stellen van vragen, zo je die mocht hebben. Welnu, ik heb er een paar:

Zij schrijven dat je bij minder leerlingen niet zomaar minder docenten nodig hebt, alle vakken moeten immers aangeboden blijven worden. Dit laatste is juist, maar op het eerste punt valt wel wat af te dingen. Schaersvoorde maakt onderdeel uit van een heel grote organisatie van 17 gefuseerde scholen, met meer dan 30 vestigingen hier in de Achterhoek, met docenten die veelal werken in vaksecties van meerdere personen. Leerlingenkrimp (en dus minder lesuren)heeft voor hen - in het algemeen - twee gevolgen: a. ontslag, voor diegenen die onderaan de afvloeiingsvolgorde staan; b. reizen tussen de verschillende vestigingen, om zo aan het vereiste aantal (les)uren te komen (gerelateerd aan de betrekkingsomvang). Nu zal dit laatste ongetwijfeld bij het Schaersvoorde in Dinxperlo al het geval zijn vanwege het kleine leerlingenaantal (135); dat het de organisatie van het onderwijs - voor beide partijen, docenten en leiding - bemoeilijkt is duidelijk (lesroosters, vergaderingen) maar is de grens van wat nog redelijk is al bereikt, zo vraag ik mij af?

Mogelijk zit er hier nog een ander addertje onder het gras. Al die gefuseerde onderwijsinstellingen kunnen berucht zijn vanwege hun overhead, tot wel 30%. (normaal is 6 - 12%). Hoe zit dit bij de Achterhoek VO? Uit hun jaarverslag van 2020 blijkt al wel een personeelskrimp t.o.v. 2019, maar wat niet duidelijk wordt is het onderscheid tussen onderwijzend personeel(OP) en het niet-onderwijzend personeel(NOP). In totaal waren er in 2020 1670 ‘medewerkers” verdeeld over 1299 fte (ruim 20 % deeltijdwerkers dus). Hoe groot (of klein) is hier dus de overhead en zou er niet nog docentenruimte gecreëerd kunnen worden? (En die dan ten koste zullen gaan van de niet zelden rijkelijk aanwezige beleidsmedewerkers, “onderwijskundigen” en adviseurs e.d.).

Een ander punt is, en ik verbaas me hierover, dat bij de verwachtte krimp van 27% het openhouden van alle locaties binnen 10 jaar( ) een tekort van ruim een miljoen zal ontstaan, maar dat er, op dit moment, nog wel ruimte is om 11 miljoen euro te beleggen (zie het jaarverslag 2020). De lumpsum vergoeding was ongeveer 135 miljoen en ruim 8% van dit bedrag kan kennelijk (nog steeds) worden vrijgespeeld? Vreemd eigenlijk, het gaat toch om belastinggeld dat in het onderwijs wordt gestoken en dan hieraan ook besteed dient te worden? Zou dit soms een reden zijn voor de gemeente financieel niet bij te springen zoals de schrijvers min of meer suggereren? 

Tenslotte, dat de dames Van Velden en Van Hattum schrijven dat zij “onderwijs van hoge kwaliteit” willen blijven leveren, klinkt mij obligaat in de oren, een gotspe eigenlijk. Het is inmiddels algemeen bekend dat in Nederland de onderwijskwaliteit hard, zo niet heel hard, achteruit holt (In dit verband is het nieuwe boek van Jeroen Dijsselbloem, De Onderwijsfamilie van harte aan te bevelen). Het beschrijven van deze droevige ontwikkeling en haar oorzaken, waarbij de onderwijsinhoud verdrongen wordt door de vorm, het gevolg van de doorgeschoten aandacht voor onderwijsleerprocessen, vergt een ander en veel uitvoeriger betoog, waarvoor hier de ruimte nu ontbreekt.

Jan P. Mudde,
Dinxperlo.
(gepensioneerd doc. vwo en mbo)

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden